De waarde van lactose voor biggen in de periode rondom spenen

21 juni 2021

Lactose is traditioneel een veelvuldig toegepaste component in voeders voor jonge biggen. Dit is het gevolg van een aantal specifieke functionele eigenschappen die aan lactose kunnen toegeschreven worden. 

Zo is het een smakelijke en makkelijk verteerbare energiebron, die de overgang van vloeibare melkvoeding onder de zeug naar vast voeder na spenen ondersteunt.

Daarnaast heeft lactose ook een prebiotische werking. Bij zogende biggen wordt het in de maag gefermenteerd, waardoor organische zuren (o.a. melkzuur) gevormd worden die de maag-pH ondersteunen en daarmee een eerste barrière vormen tegen schadelijke micro-organismen die het darmkanaal willen binnendringen. Uit recent onderzoek door Trouw Nutrition blijkt dit effect echter snel af te nemen vanaf 7 dagen na spenen. Bovendien neemt vanaf dat ogenblik ook de enzymatische capaciteit om lactose in de dunne darm te verteren, substantieel af. Hierdoor komt lactose gedeeltelijk ook in de dikke darm terecht, waar het als substraat dient voor de vorming van melkzuur en vluchtige vetzuren, die een gunstig effect uitoefenen op de darmwerking en -gezondheid.

Naast deze voordelen dient echter ook rekening gehouden te worden met een aantal negatieve aspecten. Moderne varkensgenetica wordt meer dan voorheen gekenmerkt door een hogere en sneller ontwikkelende voederopnamecapaciteit kort na spenen. Daardoor kan een (te) hoge lactose-opname aanleiding geven tot overmatige fermentatie in de dikke darm, met diarree als gevolg. Dit wordt bevestigd door een meta-analyse van proeven die de voorbije jaren op ons Swine Research Centre in Nederland uitgevoerd werden. Hierbij wordt een significant negatief verband aangetoond tussen een toenemend lactosegehalte in het voeder en de diarree-incidentie bij biggen tijdens de eerste 14 dagen na spenen (figuur 1).

Figuur 1: Diarree-incidentie bij biggen tijdens de eerste 14 dagen na spenen neemt toe naarmate het voeder een hoger lactose gehalte bevat (Trouw Nutrition R&D, 2019).

Bovendien kunnen de hierboven benoemde functionele voordelen van lactose ook ingevuld worden met behulp van alternatieve grondstoffen, additieven en/of nutriënten. Specifieke vezels, resistente zetmeelbronnen en oligosachariden kunnen de prebiotische werking van lactose overnemen, terwijl suikerverbindingen en ontsloten granen eveneens opname bevorderend werken en vlot verteerbaar zijn. Dit is meteen ook een mogelijke verklaring waarom in wetenschappelijk onderzoek de meerwaarde van lactose niet altijd kan worden aangetoond. Elke voedercomponent die inspeelt op één of meerdere van de benoemde voordelen van lactose, beïnvloedt het mogelijk voordelige effect, en kan ervoor zorgen dat dit laatste minder uitgesproken is of zelfs afwezig blijft.

Tenslotte pleiten ook de huidige marktomstandigheden niet in het voordeel van hoge lactose-aandelen. Zuivelgrondstoffen zijn in batterijvoeders een belangrijke prijsbepalende factor, kennen in functie van de origine de nodige variatie, en zijn bovendien niet altijd even vlot beschikbaar.

Vanuit deze context heeft Trouw Nutrition een herevaluatie gemaakt van de lactosebehoefte bij biggen in de periode rondom spenen.

Op basis van een uitgebreide literatuurstudie werd in eerste instantie het gewenste lactosegehalte voor maximale technische prestaties afgeleid. Dit lactosegehalte werd vervolgens als controle in een biggenproef vergeleken met proefvoeder met een duidelijk lager en economisch beter aanvaardbaar lactosegehalte (figuur 2).

Figuur 2: Dagelijkse groei, voederopname, voederconversie en kostprijs per kilogram groei van het proefvoeder relatief uitgedrukt ten opzichte van het controlevoeder (Trouw Nutrition R&D, 2019).

Met behoud van de technische resultaten, resulteerde het lagere lactosegehalte uit het proefvoeder in een scherpe en significante daling van de voederkosten ten opzichte van het controlevoeder. De aanname dat hoge lactosegehaltes noodzakelijk zijn voor optimale prestaties, verdient dus zeker de nodige nuancering. Het waargenomen effect laat ook een economische optimalisatie van bestaande voeders toe, daar het lactosegehalte uit het proefvoeder lager is dan het advies dat door ons tot nog toe gehanteerd wordt.

Voor meer achtergronden bij dit onderwerp en voor advies over het toe te passen lactosegehalte in uw biggenvoeders, kan u steeds contact opnemen met uw accountmanager